Terug naar homepagina

Kishor Nagar

Interview

Interview


Pater Vic Van Bortel s.j.:
Engelse les.jpg Op het ogenblik, zou ik zeggen, doen wij veel aan "haagschool" met onze jongens.
Het zit nu zo: wij lopen niet meer naar school, al het onderwijs is nu bij ons. En alleen onze examens worden buiten geschreven. Dat is onwettig, maar dat is wat wij doen.
We lopen daarom iedere twee weken de school eens binnen om onze aanwezigheid in een "wettige" school op te geven, anders worden we geschrapt. Daarna blijven we weer thuis.
Alle klassen worden hier immers gegeven. Alleen die op de universiteit zitten of op een technische school, die volgen buiten les, al de rest is dus bij ons.

Er is ook nog een andere grote moeilijkheid waarmee wij kampten: op de papieren van de jongens die hier toekomen staat geen naam van de ouders of een geboortedatum.
Eerst stuurden wij hen naar school, met zogezegd geen ouders. Toen heeft een van de hoofdonderwijzers ons iets duidelijk gemaakt. Hij zei:"Pater, als je dat zo doet, dan geraken de jongens nergens binnen". Ik vroeg hem dus hoe we dat dan wel moesten oplossen. Hij zei: "Zet er een naam op!" Zo hebben wij leren liegen.
Als ze hun eerste officiële examen hebben, dus na de zesde klas, dan moeten wij een lijst opmaken van de jongens met hun juiste geboortedatum, met de naam van hun ouders en waar ze vandaan komen. Dat doen we dan allemaal zo eerlijk mogelijk.
Sahadev Baraïk, zowat het schoolhoofd hier, gaat dan naar de klas met een lijst. Hij vraagt aan de jongens:" Denk eens heel goed na, schrijf hier de naam van je vader en moeder op". Dan schrijven de jongens de naam van vader en moeder op en dan laten wij die mensen godsvruchtig overlijden. Dat is allemaal maar zo en zo natuurlijk. We zetten er ook een geboorteplaats bij en dan denken ze nog eens goed na over hun leeftijd. Als dat helemaal niet klopt, dan doet Sadheo er een paar jaartjes af. Want soms geven ze een leeftijd van 12 op terwijl ze eigenlijk 17 zijn.

Zo, de meeste papieren die wij van de jongens hebben, daar zitten wel wat fouten tussen. Iedereen doet dat daar.
Nu weet ik niet of we daar wroeging over moeten hebben, maar zo gebeurt het op het ogenblik.

Dagindeling



De kleinsten In de zomer, als het warm weer is, staan onze jongens heel vroeg op. Alles gebeurt dan ook 's morgens.
De klassen beginnen dan om half zeven. De grote jongens hebben zelfs al les om half zes.
Dan is er zo ongeveer les tot kwart over negen. Dan is er koffiepauze voor de leerkrachten.
Dan is er weer les tot ongeveer twaalf uur.
's Namiddags moeten ze allemaal om één uur gaan slapen. Ze slapen dan tot ongeveer half drie en dan moet je ze nog wakker schudden omdat het nog veel te warm is.
Daarna is er afwisselend spel, werk en bijscholing.

De éne groep na de andere krijgt haar taak om niet allemaal tegelijk aan het werk te zijn.
Gedurende het schooljaar duurt deze arbeid ongeveer drie kwartier.
Mensen die er geweest zijn kunnen zich wel inbeelden hoe dat gaat: het gaat er eigenlijk heel vrolijk aan toe.

Werkverdeling



Werkverdeling
Waarom werken wij zo? Je zou kunnen zeggen dat dit kinderarbeid is. Maar zo een vijfenveertig minuten werken is dat toch niet.
Er is één ding dat we gekregen hebben: de grond. Oorspronkelijk moest hier een theologie komen voor de jezuieten. Maar het gebeurt wel eens dat jezuieten van gedacht veranderen. Zo is de theologie niet in Ranchi gebleven. Die is naar Delhi gegaan.
De grond lag daar dus braak en vrij. De verkoop duurde te lang en toen hebben ze die grond aan ons gegeven.
Dat stuk is ongeveer tweeëntwintig hectare en nu krijgen we er nog vijf of zes bij. Daar kunnen we heel wat mee doen.
Het meeste van het werk is handarbeid. Ik weet niet of u ooit honderdvijftig of tweehonderd jongens tesamen hebt zien werken. Dat gaat als een trein.
Als ze bij ons tarwe of rijst afsnijden, dan zie je dat vooruit gaan als een machine. Zo, ik weet niet of het beter is een gecombineerde pikdorser te gebruiken of het met handenarbeid te doen.
Ik geloof dat het zelf sneller gaat met de sikkel die zij gebruiken.
Op het ogenblik blijven ze 's avonds wel wat langer op. Terwijl de kleineren mogen spelen, zitten de groten terug in de studie vanaf zes uur en blokken. En diegenen die per abuis niet al hun lessen hebben gehad, overdag of 's morgens, die krijgen die er 's avonds nog bij. Want er zijn altijd universiteitsstudenten die zelf cursus hadden en daarom hun lessen niet konden geven. Die geven dan hun lessen om zeven of acht uur 's avonds.
Voor het ogenblik gaan de klein mannen om kwart voor negen slapen, de groten om half tien. Dat is zowat het zomerprogramma.


U mag het vragen zoals u wilt.

Een vraag naar de jongens die bij u al weggegaan zijn, volwassen geworden. Hoe zijn de ervaringen daarmee?



Ranchi Die ervaringen zijn heel goed. Sommigen, dat ondervinden we, zijn erg gesloten, maar de rest doet het heel goed. We ondervinden ook: eens zij beginnen te werken, dan komt er van rechts en links een verwante van een dorp die zich aan deze jongens willen vastklampen omdat ze zelf niets hebben. En dan helpen zij hen.
Heel veel van hen komen wel terug om te zien hoe het gaat en hoe het vroeger was. Ze houden wel contact.

De jongens die bij u aankomen, worden die door vreemden aangebracht, gaat u die zoeken, of hoe komen die hier?

We zoeken ze nooit!
Het regent altijd aanvragen. De moeilijkheid is ze niet te krijgen.
De jongens die wij aannemen zijn- niet de laagsten!- maar jongens die helemaal niets hebben. Ouderlozen, kinderen van moeder Theresa - er zijn er wel honderd van moeder Theresa bij ons- ... Ik zou zeggen: kinderen die helemaal in de penarie zitten. Andere kinderen nemen we niet aan.
Er zijn er heel veel van.
Het criterium ligt daar: is het geweldig nodig? En kunnen wij er iets van maken? Willen zij zich echt inzetten?
Als die twee criteria samen komen, dan komen ze in aanmerking.
De moeilijkheid is te triëren.
Dit jaar waren er weer ongeveer tweeduizend aanvragen. We noteerden zevenhonderd kandidaten. Daarvan konden we er maar 75 aannemen.
Het is verder onmogelijk. We willen en kunnen niet het hele probleem oplossen. Wat wij willen is de vicieuze cirkel doorbreken.
Mensen klagen altijd dat er niets aan gedaan kan worden. Zo, dat willen wij doorbreken en op onze manier laten zien dat het wél kan.
Die kinderen kunnen toch studeren en komen toch vooruit!
Het is ook een aanmoediging, een oproep voor de staat om er toch iets voor te doen.

Tweeduizend aanvragen ieder jaar Ieder jaar 2000 kandidaten
't Is eigenlijk een heel moeilijke situatie. Maar het spreekwoord zegt, geloof ik, " Het is altijd beter een lucifer aan te steken dan te blijven klagen dat het donker is".
Er komen heel wat moeilijkheden bij kijken, maar het loont de moeite!
En het is niet alleen maar moeilijkheden, ik zou zeggen: als men drie kinderen heeft is men soms gelukkig, als men er achthonderd heeft, is men nog meer gelukkig.
Het belangrijkste wat we met deze kinderen moeten doen is ze op hun eigen benen zetten zodat ze het leven aankunnen. Of ze nu universitair gevormd zijn, technisch of gewoon werklieden worden. Ze moeten in hun eigen atmosfeer kunnen leven.
Als wij zien dat ze op eigen benen kunnen staan, dan houden wij de jongens niet meer bij. Dan moeten ze het verder zelf beredderen. Dat stelt hen in staat het aan te kunnen. Anders blijven ze zich vastklampen en dat mag helemaal niet.

Bestaat er ook een Meisjesstad? Waar blijf je met de meisjes?


We hebben enkele meisjes. Die hebben we naar het internaat gestuurd.
Wij moeten zorg voor hen dragen en in het verlof komen ze wel een keer terug.
Je moet weten: India is een mannenwereld. Dat is heel spijtig, maar meisjes zijn minder berechtigd dan jongens. Ook in het openbare leven hebben vrouwen veel minder te zeggen.
Dat hangt ook samen met het kastensysteem.
Het is nog altijd zo dat als er een meisje in het gezin geboren wordt, laten veel ouders dit kind na twee of drie dagen sterven. Dat gebeurt nog vooral in Zuid-India. Men moet het zeggen zoals het is. En de laatste tijd kan men op voorhand zien of de foetus een meisje is, en dan wordt het dikwijls geaborteerd.
Zuster Barbara, die hier een tijd verbleef, heeft in Sundil een meisjespensionaat opgericht. Daar verblijven nu 2500 meisjes op internaat.
Dat betekent ook dat wij die enkele meisjes die wij hier hebben, niet met al die jongens kunnen laten samenleven. Wij sturen hen dus gewoonlijk naar Sundil. Tijdens het verlof mogen zij bij ons komen. Zij hebben hier dan gewoonlijk een broertje. Zo zorgen wij voor hen.

Wat met agressie in Jongensstad? Er moeten toch momenten zijn dat de jongens ruzie maken als ze met zoveel samen leven?



aggressie? Ja, wij zien heel weinig agressie in Kishor Nagar. We leren hen van kleinsaf samen te leven. We leggen daar nadruk op.
En niet alleen samen te leven, maar alles samen te doen.

We hebben hier toch wel veel gehandicapten, meer dan dertig, en dan ook nog anderen die licht gehandicapt zijn. Die leven ook helemaal samen en moeten ook helemaal aanvaard worden. Daardoor leren de andere jongens elkaar ook beter te aanvaarden.
Zo hebben we een jongen, die in het derde jaar zit op de universiteit en ook onderwijst in KN. Hij loopt op zijn handen, maar nooit zal er iemand om lachen of er iets op zeggen. Als hij gaat onderwijzen, springt hij eenvoudig op de tafel en begint. Iedereen luistert naar hem. Hij volgt handel op 't unief. Hij heeft ook een televisiecursus gevolgd. Ik ken geen betere onderwijzer.
Maar ook de andere jongens komen vrij goed overeen. Zij hebben wel eens ruzie, maar dat gebeurt heel weinig.

Zou u iets willen vertellen over de toekomst?



Het finaciële is voor ons altijd een probleem. Ik zal iets zeggen: wij hebben leren bidden. Wij geloven dat God van zijn kinderen houdt. Misschien zal niet iedereen het ermee eens zijn, maar ik ben daar heel zeker van.
Nu, als wij een probleem moeten oplossen voor over vijfentwintig jaar, dat doen wij niet. Maar wij proberen wel het probleem op te lossen voor nu en de komende jaren. Wij trachten ook, zoveel als we kunnen, zelfstandig te worden, om plaatselijke hulp te vinden, om mensen aan te spreken, de staat ook, vanwaar hulp ook maar kan komen.
Verleden jaar hebben wij toch vanuit verschillende plaatsen, ook in India hulp bij gekregen. Van de staat hebben wij vorig jaar voor het eerst een toelage gehad. Die was niet groot, maar 't was toch vijftigduizend roepie. De roepie is nu ongeveer 2 eurocent. Maar als je de koopkracht ervan vergelijkt, betekent dit toch ongeveer vijfduizend euro.
Dat is toch wel wat.
Tegelijk trachten we vruchten te rapen van wat de jongens zelf met hun eigen handen doen. Dat beslaat ieder jaar zowat de helft van onze behoefte.
We zijn ons zeer bewust van de financiële moeilijkheden. Maar wat ons nog meer voor ogen staat is dat wij doorbraak moeten maken om voor deze jeugd iets meer te doen. Voor hen de mogelijkheid scheppen vooruit te kunnen en hun eigenwaarde te verwerven.
Dat zijn dus twee moeilijkheden en voor alle twee moeten wij altijd aandacht hebben.

The future

Hoe zit het met de permanentie in Kishor Nagar,met de opvolging?


Op dit ogenblik zijn we met drie jezuieten. Isaac Tete, John Guria en ik. Maar er komen nog scholastieken en paters bij. Dat is vanzelfsprekend.
Ik weet dat er in België weinig seminaristen binnen komen op dit ogenblik, maar in India zijn dat er heel wat. Dus ik geloof wel dat er scholastieken en paters zullen zijn die met ons project zullen voortgaan.

Heeft het zin jongens te laten studeren, als die dan later geconfronteerd worden met de werkeloosheid op hun gebied? Is het dan niet beter die jongens gewoon handenarbeid te laten verrichten? Dat kunnen ze dan beter doen als ze niet te fel ontwikkeld zijn.



De wereld is natuurlijk altijd vol van halve antwoorden. Er zit waarheid in, maar... Voor onze jongens, als je ze maar halverwege helpt, dan heeft het geen zin. Ze vallen dan terug van waar ze komen. De enige methode voor onze jongens is dat ze geschoold zijn, zodat ze een tamelijk goede betrekking krijgen.

Wat wij doen is eigenlijk heel eenvoudig. Diegenen die bij ons blijven na de humaniora, die gaan ofwel naar een technische hogeschool of naar de universiteit. Ondertussen beginnen zij al overal te soliciteren. Zo worden zij daaraan gewoon. En als ze in het derde of vierde jaar een goede betrekking krijgen, laten ze hun studies staan en gaan ze werken.
De meeste van onze jongens krijgen goede betrekkingen op fabrieken of burelen.
Er is een spreekwoord dat zegt:" Geef mij een vis en ik heb te eten voor vandaag. Maar geef mij een hengel en ik heb eten voor altijd. Dat is ook zo voor onze jongens. Dat trachten wij te bereiken.
En als ze die hengel hebben, dan kunnen ze goed voor zichzelf zorgen. Het is niet de taak van de man die zulke uitspraken doet om zorg te dragen voor de miljoenen van India. Het is ook onze taak niet. Maar voor de underdogs, die wij hier hebben, om die een echte kans te geven in het leven, dat is de moeite waard. Ik geloof daar heel sterk in.

Nu weet ik weer wat er bij kwam. Het is dat wij trachten deze jongeren mondig te maken. Hen te helpen na te denken voor zichzelf, te oordelen voor zichzelf. Het mooiste wat je een mens kan geven is die waardigheid voor zichzelf te denken, voor zichzelf te beslissen. Een kans die ze anders nooit krijgen.
Een echte opvoeding brengt dit toch mee. Daar geloof ik ook heel sterk in.

Dat is een soort bevrijdingstheologie?



(foto:Muurschildering in stafruimte)The future

Is dat zo?
Wat wij willen doen is de vicieuze cirkel doorbreken, laten zien dat er kan gedaan worden en andere mensen aanmoedigen om er iets voor te doen.
Tot nu toe zijn ze twee keer onze jongens komen interviewen van staatswege. Ik weet dat ze de antwoorden hebben genoteerd die ze wilden hebben, maar het is al een goed teken dat ze er belang in stelden? Ze hebben daarop besloten dat er in Ranchi nog twee dergelijke centra moeten gebouwd worden, naar het voorbeeld van Kishor Nagar.
Tot nogtoe is dat niet gebeurd, maar er is belangstelling en ze weten dat er iets moet gedaan worden. Dat is ook al iets dat zijn waarde heeft.

Hierin is zeker de mentaliteitsverandering bij de omgeving van Kishor Nagar belangrijk.
De gewone mensen die giften schenken: die gewone man die een koe schenkt, de ander die dekens brengt, de gewone mens van Ranchi aanvaarden Jongensstad. De soldaten, uw buren, allerlei mensen zien jullie bezig en hun mentaliteit verandert.



Ja, als het leger hier aan kwam, kwam er een generaal op bezoek. Die vroeg onmiddellijk:"Wat kan ik hier doen?". En de volgende dag al stond hij hier met bulldozers en waren zijn soldaten het terrein aan het effenen.
Er was ook een man uit de omgeving, die nu een van onze voornaamste medewerkers is. Hij had thuis een gehandicapt meisje. Hij zag bij ons de gehandicapten en dat wij er naar omkeken. Ook hij vroeg: "Wat kan ik doen?". Bijna onmiddelijk daarna heeft hij het meisje, dat hij niet thuis hield, naar huis gebracht. Dat meisje is het geluk van het gezin geworden.
Tot nu toe heeft hij altijd meegewerkt als vrijwilliger. Hij heeft zijn eigen steenbakkerijen. Elk jaar betaalt hij zijn gift; dat betekent tienduizend bakstenen.
En voor de rest komt hij met alles meehelpen waar hulp nodig is. Hij spaart ons tienduizenden roepies per jaar uit.

Soon Prakash is een rasechte hindoe en heeft dus niet dezelfde godsdienst als wij, maar zijn filosofie luidt: " Als ik de armen help en meedoe aan zo'n werk, dan zal God mij zegenen." En misschien is dat wel waar, want zijn bakstenen zijn altijd het eerst uitverkocht en hij heeft altijd de beste klanten.
En wee de mensen die Kishor Nagar zouden willen aanvallen! Hij is de eerste die er voor in de bres zal springen.
Ook zijn collega's, die op politiek vlak van de tegenpartij zouden zijn, helpen ons als eersten. Omdat het voor de jeugd is.
Zo heeft Kishor Nagar toch zijn invloed, zijn doorbraak die het moet hebben.

Groten dragen meer verantwoordelijkheid

Wat mij verwondert, pater, is dat die jongens, die toch van zeer verschillende godsdiensten zijn, zo kunnen samenleven. Hoe doen die dat?



Dat is eigenlijk een heel klein probleem. Grote mensen hebben vooroordelen. Als wij kijken bij het hindoeïsme, de islam, het animisme, dan vinden wij altijd één element terug dat heel sterk is: dat God liefde is. En dat God voor ons allemaal "Onze Vader" is. En dat gebed kunnen ze allemaal meebidden.
Als wij nu zouden verbieden aan de hindoejongens, de moslims of de animisten om mee te bidden, dan zouden zij vragen:"Wie zijn wij dan? Waarom mogen wij niet meedoen?"
Wij vertellen altijd heel klaar waar wij in geloven, waarmee wij bezig zijn en waarom wij dit doen. En zij aanvaarden dat helemaal.

Vooroordelen zie je gewoonlijk bij grote mensen. Die brengen deze vooroordelen over op hun kinderen. Ik zal een voorbeeld geven: Als wij klein waren mocht er bij ons geen vis binnen. Ons moeder zei:" Vis dat stinkt!". En wij zeiden ook: " Vis stinkt, wie gaat er nu vis eten?". En tot ik echt groot was dacht ik zo:"Vis is slecht!". Ik heb pas daarna geleerd dat vis niet slecht was. Aan vis zit wel een reuk, maar was niet slecht.
Zo dragen wij dikwijls de vooroordelen, die we van thuis meekrijgen, ons hele volwassen leven mee.
Zo is dat ook bij het verstaan van ons eigen leven en het leven van anderen. Wij denken dikwijls in zwart en wit. En hoe je het draait of keert: het belangrijkste in een mensenleven is die eerlijkheid tegenover zichzelf en tegenover elkaar.
Daar is godsdienst toch op gebouwd. Als er geen echte eerlijkheid is, dan heeft die uiterlijke beleving van godsdienst ook geen waarde. Ik denk dat ik het juist zeg.


De jongens die bij jullie zijn, hoe vinden die later een partner? Zijn zij daar niet te geïsoleerd voor?



De jongens die bij ons zijn moeten gewoonlijk zelf hun partner vinden. Het systeem in India is anders. Daar zijn het gewoonlijk de ouders die voor een meisje of een jongen zorgen. En als dat niet gebeurt, dan voelen ze zich niet veilig.
De jongens bij ons moeten zelf hun partner zoeken. Als ze nog een thuis hebben, gaan ze wel eens vragen aan een oom: " Kan u niets vinden voor mij?"
Tot nogtoe hebben wij daar niet veel moeilijkheden mee ondervonden. Er zijn in het totaal nog maar twee jongens die op Kishor Nagar zelf getrouwd zijn. De anderen hebben eerst werk gevonden en zijn daarna getrouwd.

Iets wat in dit verband misschien ook belangrijk is: de jongens gaan tijdens de zomervakantie naar huis, niet? Dus van de achthonderd jongens, blijven er misschien tweehondervijftig in Jongensstad, of nog minder.



Ja, zo is het. Enkelen kunnen niet weg en blijven dan bij ons het hele jaar.
Diegenen die op één of andere manier op verlof kunnen gaan, die geven wij een duwtje. We geven hen geld om met de bus te gaan, en dan vertrekken die wel.
Maar het is altijd zo dat, als ze geen eten krijgen of niets vinden, dat ze altijd mogen terugkomen. 't Is goed dat ze wat andere frisse lucht krijgen, dat ze niet steeds op dezelfde plaats moeten zijn.

Is Kishor Nagar binnen de ontwikkelingsprojecten of missieprojecten geen heel apart geval? Of zijn er nog meer dergelijken initiatieven?



Kishor Nagar is op een manier wel een beetje apart. Dat is gestart omdat ze hadden besloten dat er een dergelijk werk moest komen om juist die jeugd op te vangen.
Zo, eigenlijk zijn wij een geval apart. Maar nogal wat verschillende instituten van Ranchi helpen eraan mee. Maar wij zijn... wel marginale gevallen - ik zal het zo maar zeggen-.
Pater Van Nuffel werkt zo bijvoorbeeld heel veel in de dorpen met die "Arouse". Die werken heel veel met kleuterklassen in de dorpen zelf. Maar dat is met kinderen die ouders hebben.
Zij die niemand hebben zijn gewoonlijk de verstotenen. En die landen bij ons. Die worden dan gestuurd door zusters of paters of de oversten van die dorpen. Want die kunnen niet opgevangen worden in dat systeem.
Dat project is een voorbereiding op de lagere school. Wat in de geest van Montessori, aangepast aan de dorpen. Dat is natuurlijk iets heel moois.

Dus u hebt contact met die projecten?



Geen dagelijks contact, neen, maar over die werken, over de strategie en de werkverdeling wordt wel in vergaderingen gesproken.
De werken zijn allemaal op elkaar afgestemd.

Wat heeft u zelf als ontspanning, pater?



Ik heb achthonderd kinderen. Dat is een heel goede ontspanning.
Nee, ik weet wat u wil zeggen. Maar als je met achthonderd samen bent, allemaal jonge mensen, daar zit veel leven in. Dat is een geweldige ontspanning, ook al heeft men soms heel veel werk.
En 's avonds dammen we of doen wij een spelletje of zo.

Kan u de kinderen van hier vergelijken met die van India??



Misschien zijn de kinderen in India wel rustiger van aard.
Waarom dat zo is, weet ik niet. Hier zijn ze soms heel onrustig omdat ze opgejaagd worden. Je ziet daar heel veel beelden van. Ik zou zeggen: een gemeenschap die opgejaagd is, die loopt en loopt en blijft lopen.
En dan vraag je je af: zijn al die vrachtwagens geladen die zo maar blijven rondrijden en rondrijden?
Ik geloof dat de hele gemeenschap zo is. Ik geloof dat onze jongens dichter bij het gewone leven staan. Ze zijn op een manier veel eenvoudiger. En toch zijn ze even opmerkzaam.
Ik weet niet hoe ik ze juist moet vergelijken, want elke vergelijking loopt mank. Dus deze ook.

Terug naar homepagina